
BWV161 "Komm, du süße Todesstunde" voor solisten, koor, blokfluiten, strijkers en continuo
Johann Sebastian Bach componeerde de kerkcantate Komm, du süße Todesstunde BWV 161, in Weimar voor de 16e zondag na Tinitatis, en is waarschijnlijk voor het eerst uitgevoerd op 27 september 1716.
Bach was twee jaar eerder begonnen met het componeren van reguliere cantates toen hij werd bevorderd tot concertmeester aan het hof van Weimar, waarbij hij één cantate per maand schreef die werd uitgevoerd in de Schlosskirche. De tekst werd geleverd door hofdichter Salomon Franck. Zijn tekst reflecteert het verlangen naar de dood, in zijn tijd gezien als een overgang naar een vereniging met Jezus. De tekst van het slotkoor is genomen van de vierde strofe van het gezang "Herzlich tut mich verlangen" van Christoph Knoll.
De cantate in zes delen opent met een reeks afwisselende aria's en recitatieven die leiden naar een koor en een afsluitend koraal. De koraalmelodie, bekend als "O Haupt voll Blut und Wunden", verschijnt in het eerste deel, gespeeld door het orgel, en muzikale motieven van de aria's zijn hieruit afgeleid, wat zorgt voor eenheid in de compositie. Bach componeerde het werk voor alt- en tenorsolisten, een vierstemmig koor en een ensemble van blokfluiten, strijkers en continuo. In het altrecitatief (deel 4), creëert Bach de beelden van slaap, van ontwaken en van rouwklokken, die te horen zijn in de blokfluiten en pizzicato van de strijkers.
De cantorij ‘Sura Cantat’ en het barokorkest ‘Accademia Amsterdam’ staan onder leiding van Catrien Posthumus Meyjes, cantrix van de Grote Kerk Gemeente.
Koor
Sura Cantat o.l.v. Catrien Posthumus Meyjes
Organist
Cor Ardesch
De toegang is vrij